DOELSTELLING * INTERNATIONALE RECHTORDE * VERENIGE NATIES
* HOME * NIEUWS WORLD FEDERALIST MOVEMENT * WERELDBURGER *

 

GESCHIEDENIS: 'EENHEID IN VERSCHEIDENHEID'
50 JAAR WFBN


STATUTEN VAN DE WERELD FEDERALISTEN BEWEGING NEDERLAND

NIEUWSBRIEFEN WFBN

Bestellingen WFBN artikelen

 
   
 

 

 

 

Statuten van de Wereld Federalisten Beweging Nederland

Art.1. : De vereniging draagt de naam: Wereld Federalisten Beweging Nederland. De vereniging is een afdeling van de World Association of World Federalists. De vereniging is de organisatie van de Nederlandse leden van de World Association of World Federalists, gevestigd te Amsterdam, overeenkomstig artikel 1.a. van de Statuten van die organisatie.

Art. 2. : De vereniging is gevestigd te Amsterdam.

De vereniging is opgericht op 1 maart 1948 en is aangegaan voor onbepaalde tijd.

Art. 3. : De vereniging streeft naar de opbouw van een rechtvaardige federale wereldorde, welke is gebaseerd op algemeen aanvaarde grondrechten van de mens, zoals beschreven in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en uitgewerkt in het Internationaal Statuut van de Rechten van de Mens en op het recht van elk volk op een eigen staat en cultuur, en welke is uitgerust met mondiale en regionale gezagsorganen.

Art. 4. : De vereniging tracht haar doel te bereiken door het bevorderen van betere begrip, meer samenwerking, gefundeerd vertrouwen tussen staten onderling en tussen meerdere volken in een staatsverband en voorts door.

a. het verenigen van al diegenen die de artikelen 3 en 4 van de statuten onderschrijven en akkoord gaan met de reglementen van de verenigingen.

b. samenwerken met andere organisaties of verenigingen in binnen en buitenland, die kunnen en willen bijdragen tot bevordering van het doel, zoals dat is omschreven in artikel 3 van de statuten.

c. de verbreiding en verdieping van kennis en inzicht betreffende de problemen van de wereldsamenleving.

d. alle krachten in te spannen om de Nederlandse regering voor haar doel te interesseren en te dier zake aktiviteiten te ontwikkelen, in het bijzonder voor wat betreft het versterken van de Verenigde Naties en andere internationale organisaties.

e. andere wettige middelen die aan het doel der vereniging bevorderlijk kunnen zijn.

Art. 5. : Lid van de vereniging is hij of zij, die zich daartoe bij de sekreta

ris heeft aangemeld en een jaarlijkse contributie betaalt. Indien binnen dertig dagen na aanmelding, het bestuur geen bezwaren tegen aanneming van kandidaten heeft ingebracht, worden zij als aangenomen beschouwd. Bij niettoelating geeft het bestuur hiervan binnen dertig dagen schriftelijk kennis aan de kandidaat, met opgaaf van redenen. Afgewezen kandidaten kunnen zich schriftelijk beroepen op de eerstvolgende algemene vergadering.

Art. 6.: Rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties of verenigingen kunnen in hun geheel toetreden als geassocieerd lid op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van haar bestuur van een schriftelijk toelichting, dient voor te leggen aan de leden van het bestuur van de vereniging, minstens twee weken voor een bestuursvergadering, die met minstens twee/derde meerderheid der geldig uitgebrachte stemmen dit verzoek kan inwilligen. De Rechten en plichten van de geassocieerde leden worden geregeld bij huishoudelijk reglement.

Art. 7.: Het lidmaatschap wordt automatisch van jaar tot jaar verlengd, tenzij schriftelijk opzegging plaatsvindt uiterlijk dertig dagen vóór het verstrijken van het boekjaar. (Zie artikel 21).

Art. 8.: De vereniging kan jongerenorganisaties met zo groot mogelijke zelfstandigheid, voor personen van een bij huishoudelijk reglement te bepalen leeftijd en/of dochterinstellingen of werkgroepen in het leven roepen. Het huishoudelijke reglement van een jongerenorganisatie, dochterinstelling of werkgroep mag geen bepalingen bevatten, welke in strijd zijn met deze statuten of het huishoudelijk reglement van de vereniging.

Art. 9. : Leden kunnen door het bestuur in hun lidmaatschap worden geschorst op schriftelijk gemotiveerd voorstel van één of meer leden van het bestuur of ten minste tien leden, hetwelk minstens twee weken voor een bestuursvergadering ter kennis van de leden van het bestuur moet zijn gebracht. Na onderzoek van de in het bezwaarschrift aangevoerde gronden wordt het betrokken lid gelegenheid gegeven zich naar keuze in een bestuursvergadering te verantwoorden, dan wel zijn verweer schriftelijk in te dienen. Binnen veertien dagen na genomen beslissing wordt dit de betrokkene schriftelijk ter kennis gebracht. Het indienen van bezwaren dient voor elk lid afzonderlijk en schriftelijk te geschieden.

Art. 10.: Geschorste leden kunnen een beroep doen op de eerste volgende algemene vergadering. Het schriftelijk verzoek daartoe moet uiterlijk vier weken voor de algemene vergadering in het bezit zijn van de sekretaris, waarna het betrokken lid in de gelegenheid wordt gesteld zich op de algemene vergadering te verantwoorden.

 

Art. 11.: Geschorste leden kunnen gedurende hun schorsingstijd geen funktie bekleden in de vereniging, noch op enigerlei wijze namens of voor deze handelend optreden.

Art. 12.: De schorsingstijd bedraagt maximaal een jaar.

Art. 13.: Leden verliezen hun lidmaatschap door:

a. schriftelijk opzegging aan de sekretaris ten minste een maand voor de aanvang van een nieuw boekjaar.

b. het niet voldoen van hun contributie na een laatste waarschuwingsbrief van de penningmeester met de mededeling, dat de contributie niet tijdig was voldaan.

c. royement

d. overlijden

e. verlies van rechtpersoonlijkheid.

Art. 14.: Leden kunnen door het bestuur worden geroyeerd, waarbij dezelfde procedure dient te worden gevolgd als voor schorsing, in artikel 9 omschreven.

Het royementsbesluit moet in de bestuursvergadering worden genomen met tenminste twee/derde meerderheid van stemmen. Voor geroyeerde leden geldt hetzelfde als voor geschorste leden in artikelen 10 en 11 is bepaald.

Art. 15.: Rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties of verenigingen, geassocieerde leden van de vereniging, kunnen slechts worden geroyeerd krachtens een besluit van de algemene vergadering.

Art. 16.: Voorstellen tot schorsing of royement kunnen geschieden op de volgende gronden:

a. benadeling van de belangen van de vereniging

b. overtreding van de statuten

c. het ernstig bemoeilijken van het funktioneren van de vereniging.

Art. 17. : De leden van de vereniging kunnen worden verenigd tot afdelingen en/of werkgroepen volgens bij huishoudelijk reglement te stellen regelen.

Art. 18. : Het bestuur bestaat uit tenminste zeven en ten hoogste elf leden, waaronder de leden van het dagelijks bestuur. De bestuursleden worden door de Algemene Vergadering uit de leden gekozen.

Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter, de sekretaris en de penningmeester of hun plaatsvervangers. De leden van het dagelijks bestuur en hun plaatsvervanger worden in functie gekozen

. Het bestuur kan tevens uit zijn midden plaatsvervangers aanwijzen voor de leden van het dagelijks bestuur.

Indien het aantal zittende bestuursleden minder dan zeven bedraagt, blijft het bestuur niettemin bevoegd mits op de eerstvolgende algemenevergadering in de vakature wordt voorzien.

Art. 19.: Het dagelijks bestuur vertegenwoordigt de vereniging in en buiten rechte. Het bestuur bepaalt het beleid op basis van de richtlijnen, door de algemene vergadering aangegeven.

Art. 20.: Het boekjaar loopt van één januari tot en met éénendertig december.

Art. 21.: Binnen zes maanden na afloop van elk boekjaar wordt een algemene vergadering gehouden. Elk aanwezig lid, dat zich als zodanig op grond van bij huishoudelijk reglement te stellen regels voor de algemene vergadering heeft aangemeld, kan één stem uitbrengen.

Het bestuur is verplicht in deze vergadering zijn jaarverslag uit te brengen en rekening en verantwoording te doen van zijn in het afgelopen jaar gevoerde bestuur.

In deze vergadering wordt een kommissie van twee leden die geen deel mogen uitmaken van het bestuur benoemd, die de rekening en verantwoording van het bestuur, welke na het lopende boekjaar moet worden gedaan, onderzoekt en daarvan verslag uitbrengt in de algemene vergadering volgend op die van haar benoeming.

De benoeming van de kommissie is niet verplicht indien de jaarstukken van de vereniging worden gekontroleerd door een registeraccountant.

Art. 22.: De vaststelling van de contributie, en de gang van zaken op de algemene vergadering worden vastgesteld en geregeld bij huishoudelijk reglement.

Art. 23.: Er zal zijn een huishoudelijk reglement, waarin niet alleen wordt geregeld hetgeen statuten uitdrukkelijk eisen, maar ook al hetgeen aan de algemene vergadering wenselijk voorkomt daarin op te nemen. Het huishoudelijk reglement mag geen bepalingen bevatten, welke in strijd zijn met deze statuten. Het wordt vastgesteld en gewijzigd door de algemene vergaderin

Art. 24. : De statuten kunnen niet anders worden gewijzigd dan door een besluit van de algemene vergadering, dat genomen is met tenminste twee/derde meerderheid der geldig uitgebrachte stemmen, op voorwaarde, dat voorstellen tot wijziging van de statuten ten minste drie weken voor de datum van de algemene vergadering, waarin zij zullen worden behandeld, voor alle leden ter inzage liggen op een door het bestuur bekend gemaakte plaats, onverminderd het recht van de leden om op tijdige aanvraag een exemplaar van de concept statutenwijziging te ontvangen.

Art. 25. : Tot ontbinding van de vereniging kan alleen worden besloten op een speciaal daarvoor bijeengeroepen algemene vergadering. Het besluit tot ontbinding moet met tenminste tweederde meerderheid der geldig uitgebrachte stemmen worden genomen. In geval van ontbinding van de vereniging beslist de algemene vergadering op welke wijze een batig saldo en de overige bezittingen van de vereniging zullen worden aangewend, zoveel mogelijk met het doel van de vereniging overeenstemmend.

Het bestuur wordt belast met de vereffening: bij ontstentenis van het bestuur wordt door de algemene vergadering een speciale kommissie benoemd belast met de vereffening.

Na ontbinding blijft de vereniging bestaan zolang dit voor haar vereffening nodig is. Gedurende de vereffening blijven de statuten zoveel mogelijk van kracht.

Art. 26. : Wijzigingen van deze statuten treden niet in werking dan nadat hiervan een notariële akte is opgemaakt.

Art. 27. : In alle gevallen waarin deze statuten of de wet niet voorzien beslist het bestuur, behoudens haar verantwoordingsplicht jegens de algemene vergadering. 

 

DE GESCHIEDENIS: 50 JAAR WFBN

DOELSTELLING * INTERNATIONALE RECHTORDE * VERENIGE NATIES * HOME * NIEUWS
WORLD FEDERALIST MOVEMENT *
WERELDBURGER *






De internationale beweging

 

Toen hij in 1937 een geheel nieuwe versie van zijn oorspronkelijk uit 1919 stammende pacifistische film J'Accuse maakte, voegde Abel Gance een scene toe waarin de doden van de Eerste Wereldoorlog uit hun graven opstonden en de volkeren der aarde ertoe brachten een wereldregering te vormen, waarna eeuwigdurende vrede over de aarde neerdaalde. Aangezien Gance wilde dat zijn film door velen werd gezien en de boodschap door evenzovelen begrepen, betekent dit dat het idee van een wereldfederatie reeds in het Interbellum een wijd verspreid idee moet zijn geweest.

Ideeën over een wereldfederatie zijn dan ook niet pas in de twintigste eeuw ontsproten, laat staan in de periode na 1945. Verscheidene denkers, dichters, filosofen en geleerden zoals Confucius, Sokrates, Plato, Sophocles, Erasmus, Montesquieu, Kant en Hugo maakten hun verlangen naar en mogelijke inrichting van een wereldeenheid reeds kenbaar. Door de Eerste en met name de Tweede Wereldoorlog gaf `de korte twintigste eeuw van 1914 tot 1989' echter wel een hausse aan ideeën te zien, die de wereldeenheid tot uitgangspunt hadden. Helaas moet hier aan worden toegevoegd dat enkele van die ideeën, en ook nog eens de invloedrijkste, niet van een geweldloos standpunt uitgingen.

De enkele in het begin van deze eeuw in de Verenigde Saten opgerichte verenigingen waren geen lang leven beschoren, maar in 1924 aanvaarde te Chicago een groepering de idee van `een grondwetgevende vergadering van de volken', die de Tweede Wereldoorlog zou overleven. Van deze groepering heeft jarenlang het vooraanstaande WFBNlid A. Rodrigues Brent deel uitgemaakt, en zij heeft deze `People's World Convention Approach' niet losgelaten. Zij wenste voor de uitoefening van invloed op bestaande regeringen en parlementen `eerst een solide rechtsgrond op te bouwen'.

De voor zover bekend oudste en nu nog bestaande groepering stamt evenzeer uit Chicago. Het is de Campaign for World Government van 4 december 1937. Opvallend is dat deze organisatie het geesteskind was van twee vrouwen die al sinds het einde van de Eerste Wereldoorlog voor een wereldfederatie opteerden: de Amerikaanse sufragette Maverick Lloyd en de van oorsprong Hongaarse Rosika Schwimmer, die in haar geboorteland nog stichtster was geweest van de vrouwenbeweging. Twee jaar later volgden de Inter Democracy Federal Unionists, die streefden naar een federatie van louter democratische staten. Veel van de in Amerika bestaande groeperingen zouden kort na de Tweede Wereldoorlog opgaan in het overkoepelende United World Federalists Inc.

In GrootBrittannië werd in 1938 de Federal Union opgericht, die na de oorlog een grote rol bij de globalisering van de wereldfederalistische idee en organisatie zou gaan spelen. Zij had als doel het bevorderen van statenfederaties, in het bijzonder een Europese en, natuurlijk, een wereldfederatie. Onder invloed van de Union werden ook in andere landen, met name in Britse dominions, soortgelijke verenigingen opgericht. In 1965 zou de Union in twee delen uiteenvallen: één strevend naar een Europese, en één strevend naar een wereldfederatie.

September 1946 kwamen, op instigatie van de Federal Union, federalisten uit heel de wereld in Luxemburg bij elkaar. Zij vertegenwoordigden 37 organisaties uit 14 landen en gingen over tot de oprichting van de Universele Beweging voor Federale Wereldregering, de World Movement for World Federal Government (WMWFG), die vanaf 1956 Wereldverbond van Wereldfederalisten, oftewel World Association for World Federalists [WAWF] zou gaan heten.

Conscious of the increasing perils which threaten mankind and of the functional incompetence of the Sovereign State to solve these difficulties, we appeal to men and women everywhere to join with us in this great campaign for the creation of a world federal government, embracing all the people of the globe.

Een van de drie voorzitters van de Luxemburgse conferentie was de Nederlander H. Maas Geesteranus.

In augustus 1947 heeft in Montreux het eerste congres van de WMWFG plaats. Zij was toen reeds tot een aanzienlijke organisatie uitgegroeid. Er namen zo'n 300 gedelegeerden van 52 organisaties uit 24 landen aan deel, inclusief leden van de Britse, Franse en Italiaanse parlementen en een vertegenwoordiger van de Turkse regering. Berichten van ondersteuning werden ontvangen van Einstein, de Britse minister van buitenlandse zaken Bevin, en van de Italiaanse minister van buitenlandse zaken Carlo Sforza. Was Luxemburg de geboorte van de beweging, de in Montreux uitgevaardigde verklaring vormde de wieg van het wereldfederalisme, een verklaring die ondermeer de volgende woorden bevatte:

We World Federalists are convinced that the establishment of a world federal government is the crucial problem of our time. Until it is solved, all other issues, whether national or international, will remain unsettled.

Dit wijst er al op dat de Montreuxdeclaratie niet vrij van optimisme was, hetgeen alleszins begrijpelijk was aangezien zij verscheen in de windstille periode tussen twee oorlogen in: een zeer hete, en een soms opflakkerende koude. De gedachte `Oorlog, dat nooit weer' was velen niet vreemd en zij zagen wereldfederalisme als enige en bovendien eenvoudige oplossing. Een wereldfederatie moest komen en dus kon een wereldfederatie ook komen. Velen gingen ervan uit dat de verschrikkingen van de oorlog de wereld en haar bewoners rijp hadden gemaakt voor een wereldfederatie. Mensen zouden in de toekomst niet alleen maar inwoner van hun natie, maar ook inwoner van de wereld zijn en waarde hechten aan zaken als mensenrechten, internationale rechtsorde, veiligheid en vrede. Voor de zoveelste en niet voor de laatste maal was er een wijdverbreid geloof in de opstanding van de nieuwe mens.

Zonder succes waren deze vroege uitingen van wereldfederalistisch streven zeker niet. Lawrence S. Wittner noemt in zijn volumineuze One world or none. A history of the world nuclear disarmament movement through 1953 het wereldfederalisme zelfs de meest effectieve van alle nongouvernementele groeperingen die zich met nucleaire bewapening uiteenzetten.

rotere conferenties werden gehouden wederom te Luxemburg (1948) en in Stockholm (1949). Zomer 1950 bestond de WMWFG uit 52 nationale groeperingen in 22 landen, 21 groeperingen uit 9 landen stonden op de nominatie om lid te worden. De namenlijst van het bestuur las als een `who's who in international politics' met Lord John Boyd, directeur van de UN Food and Agricultural Organization en voormalig Nobelprijswinnaar, als president.

Ofschoon niet het enige onderwerp was de atoombom, in deze jaren na de vlucht van de Enola Gay en de beginjaren van de Koude Oorlog, natuurlijk wel een belangrijk onderwerp. Logisch ook, aangezien realisatie van het idee van wereldfederalisme er door een atoomoorlog zacht gezegd niet eenvoudiger op zou worden, en zeker niet als bedacht wordt dat dat idee van wereldfederalisme in die jaren beheerst werd door de vraag `oorlog of vrede?'. Dit zou in de loop van de jaren zestig veranderen. Meer en meer zou toen de nadruk komen te liggen op de oorzaken van oorlog en daarmee op vraagstukken als sociale rechtvaardigheid, ontwikkelingshulp en begin jaren zeventig het milieu, na het rapport van de Club van Rome en de eerste desbetreffende VNconferentie.

Typerend voor het wereldfederalisme van de beginjaren was de bijbel van de eerste generatie: The anatomy of peace van Emely Reeves (1947), een in twintig talen verschenen bestseller. Alleen al in de VS werden 23.000 discussiegroepen in het leven geroepen om over de inhoud van dit boek van gedachten te wisselen. Daar was ook alle reden voor aangezien die inhoud niet anders dan erg vaag genoemd kan worden, zoals veel van de slogans van het wereldfederalisme in die tijd meer vaag dan inhoudelijk waren. Het `wat' was meestal wel duidelijk: een wereldregering. Maar hoe die regering eruit moest zien, hoe die regering to stand moest komen, welke obstakels er in de weg lagen, daarover werd slechts door enkelen nagedacht. Zo lieten bijvoorbeeld een aantal wereldfederalisten uit Chicago een ontwerpwereldgrondwet het licht zien. Al met al is het niet verwonderlijk dat, toen elf jaren later de bijbel van de tweede generatie het licht zag, World Peace through World Law van Clark en Sohn, het boek van Reeves al snel in de vergetelheid geraakte.

Typerend, aldus Wittner, was ook een indertijd wereldwijd geplaatste advertentie over de gevaren van de atoombom en de zegening van de enige remedie, de wereldregering, ondertekend door uiteenlopende beroemdheden als Einstein, Boyd Orr, Camus, Hans Thirring (Oostenrijks pacifist), Robert Hutchins (Universiteit van Chicago), Toyohiko Kagawa (Japans pacifist), Lord Beveridge (Brits econoom), Yehudi Menuhin (Israelisch violist), Hu Shih (Chinees filosoof), John Steinbeck (Amerikaans schrijver), Jacques Maritain (Frans filossof), Roberto Rossellini (Italiaans filmer), Leopold Senghor (Senegalees politicus) en Thomas Mann (Duits schrijver).

Confronted by the means of destruction that are now in the hands of men, all differences of politics, race and creed are beside the point. These things will virtually cease to exist along with the human race unless mankind agrees to the establishment by peaceful means of a world government. Only in this way war can be averted and the peace and plenty for humanity which we all desire, be made possible. The choice is indeed between one world or none.

Dit soort verklaringen nam echter niet weg dat van een eensgezinde beweging geen sprake was. Een ideologische scheiding der geesten ontstond bijvoorbeeld tussen de minimalisten en maximalisten, termen die we bij de behandeling van de geschiedenis van de Nederlandse sectie wederom tegen zullen komen. Minimalisten wensten het federaal gezag te beperken tot het vraagstuk van oorlog of vrede, terwijl de maximalisten ruimere autoriteit wilden verlenen aan de wereldregering. In de tijd direct volgend op de oorlog, hadden de maximalisten het overwicht, maar met het verstrijken der jaren en het afnemen van het jeugdig optimisme, namen de minimalisten meer en meer de teugels over. Van een heuse overwinning van een van de twee stromingen is echter nooit iets gekomen. De scheiding zou langdurig blijken. Midden jaren zestig bijvoorbeeld zou op het wereldfederalistisch congres te Tokio wederom woordenstrijd ontbranden tussen hen die streefden naar een regering met beperkte, en hen die streefden naar een regering met uitgebreide bevoegdheden. Daar was ondertussen nog een derde groep bij gekomen, de groep die regionale federaties onder de paraplu van een overkoepelende regering als toekomstbeeld voor ogen had.

Dit laatste wijst al op een tweede scheiding, een scheiding van tactische aard. Moest van meet af aan gemikt worden op een wereldregering of moest worden begonnen met verschillende federaties op kleinere schaal, zoals een verenigd Europa? Zij die een verenigd Europa niet zozeer als een eerste, maar als een laatste stap zagen, vormden al snel een eigen eveneens vrij succesvolle beweging. Met hen zouden, zoals we nog zullen zien, de Wereldfederalisten een soort haatliefde verhouding ontwikkelen. Ook de vraag of de Sovjet Unie deel uit moest maken van een wereldregering, verdeelde de beweging, omdat de Sovjet Unie zelf er weinig twijfel over liet bestaan een dergelijke deelname niet te wensen. Maar ja, wat was een wereldregering waard zonder deelname van veruit de grootste staat op aarde, en een van de twee machtigste landen ter wereld? Bijkomende moeilijkheid hierbij was dat de beweging nogal wit en westers was. Communistische landen blonken uit door afwezigheid. Aziatische, ZuidAmerikaanse en Afrikaanse staten waren spaarzaam vertegenwoordigd, ofschoon de eerste president, Romulo, uit de Philippijnen afkomstig was.

Een laatste conflictpunt betrof de rol van de Verenigde Naties. Moest er, zoals met name de Amerikaanse federalisten wensten, druk op de diverse naties worden uitgeoefend om tot een versterking van de VN te komen, teneinde ooit tot een bevredigende wereldregering te geraken, inplaats van het platform voor dispuut tussen soevereine landen zoals de VN nu is, of moest er gepleit worden voor directe verkiezingen van afgevaardigden in een onafhankelijk wereldregering? Voorstanders van het laatste, zoals vooral Henry Usborne's Crusade for World Government, zagen de weg via soevereine staten als een heilloze weg. Usborne was lid van het Britse parlement, waarin hij vanwege zijn federalistische overtuiging was gekozen. Ondanks dit verschil van inzicht werden al snel de eerste acties voor hervorming van de VN tot een wereldregering gehouden. Dit culmineerde in Kopenhagen, augustus 1953, tijdens het vijfde congres van de WMWFG, in de Kopenhaagse Resolutie. Volgens de schrijver(s) van eerdergenoemd `De eenheid in de wereld' was het `een diepgaand ontwerp tot hervorming van de Verenigde Naties, teneinde deze tot een uitgangspunt te maken voor een wereldregering.' Men was optimistisch aangezien art. 109 van het Handvest herziening van dat Handvest na 10 jaar, dus in 1955, theoretisch mogelijk maakte. De meeste lidstaten verzetten zich echter tegen een revisie. De scheiding versterking of totale revisie (of zelfs opheffing) van de VN liep lange tijd vrijwel synchroon met de scheiding tussen maximalisten en minimalisten. Echter, sinds een aantal jaren lijkt het erop dat versterking het pleit heeft gewonnen en de algemeen aanvaarde strategie is geworden.

Kortom: de beweging tot wereldeenheid was en is zelf nogal verdeeld. Vanzelfsprekend. Een zelfde doel zegt immers weinig over de beste weg er naar toe. Voeg hier nog aan toe dat het juist in de jaren van haar grootste successen een jonge beweging was met alle kinderziektes van dien, zoals frequent voorkomend amateurisme in leiding, ideeën en uitvoering, en duidelijk is dat de weg die de wereldfederalisten in hun geschiedenis zouden afleggen niet drempelvrij was en bovendien slecht onderhouden, waardoor averij niet viel te vermijden.

Maar toch, zoals gezegd kon het wereldfederalisme desondanks bogen op een aantal opmerkelijke resultaten, met name in de tijd na de oorlog, waarbij vooral het succes in ledenaanwas niet ongenoemd kan blijven. Tussen 1946 en 1950 groeide de beweging wereldwijd tot zo'n 156.000 leden, verdeeld over 56 organisaties. Miljoenen anderen, ofschoon geen lid, hadden adhesie met het streven betuigd. Onder hen ongeveer +1 miljoen mensen uit 78 landen die zich als wereldburger hadden ingeschreven, waarover zo dadelijk meer. Ongeveer gelijkertijd met het congres te Montreux verklaarde te Amerika het Comité van Atoomgeleerden, waarvan ondermeer Albert Einstein deel uitmaakte, zich voorstander van een wereldregering en een grondwetgevende volksvergadering. Begin 1948 voegt het Comité Français pour une Federation Européenne van onder anderen Albert Camus, de woorden `et Mondiale' aan zijn naam toe. Kort daarop startte Usborne zijn kruistocht voor een wereldregering.

Een enquete van UNESCO eind jaren veertig, wees uit dat het idee van een wereldregering werd onderschreven door een meerderheid van de respondenten in zes van de negen staten die aan het onderzoek hadden meegedaan: Frankrijk, GrootBrittannië, Italië, Noorwegen, WestDuitsland en...Nederland. Alleen in Australië, Mexico en de Verenigde Staten werd het idee afgewezen, al was gezien de machtsverhoudingen het natuurlijk een tegenvaller dat juist de VS bij de laatste drie hoorden. Protestantse wereldorganisaties riepen op tot versterking van de Verenigde Naties en paus Pius XII gunde tijdens een conferentie van wereldfederalisten in 1951, een aantal van hen een audiëntie waarbij hij een zeer positieve verklaring over wereldfederalisme in het algemeen en de WMWFG in het bijzonder, het licht deed zien. Dit oordeel zou 12 jaar later door Johannes XXIII in diens befaamde encykliek Pacem in Terris worden bekrachtigd. Dit soort van steunbetuigingen droeg weer bij aan de verdere ontwikkeling van een aantal parlementaire, wereldfederalistische organisaties zoals in Zweden, Japan, Frankrijk en Italië. In september 1951 werd te Londen de eerste conferentie van Britse Parlementariërs voor een Wereldregering gehouden, onder leiding van eerdergenoemde Usborne. Een jaar eerder al hadden wereldwijd zo'n 400 groeperingen de Charter of Mundialization geadopteerd, en de grondwetten van Frankrijk, Italië , WestDuitsland en Nederland, waren geamendeerd om ruimte te scheppen voor limitering van de nationale soevereiniteit teneinde de weg vrij te kunnen maken voor de vorming van regionale of universele federaties.

Hier kwam nog bij dat, naast de Beweging voor Europees Federalisme, ook de Wereldburgerbeweging van de Amerikaan Garry Davis en de Fransman Guy Marchand, in belang toenam. Op 25 april 1948 had Garry Davis, oorlogsveteraan, zijn Amerikaans staatsburgerschap opgegeven en verklaard `wereldburger' te zijn. Een klein half jaar later (midden september) vroeg hij politiek asiel aan bij de VNvergadering te Parijs, en vroeg hij tevens tot de oprichting van een wereldregering over te gaan. Mensen als Camus en André Gide schaarden zich aan zijn zijde. Massabijeenkomsten werden gehouden, honderdduizenden adhesiebetuigingen stroomden toe, maar het direct praktisch effect was nihil, althans op VNniveau. Op nieuwjaarsdag 1949 werd het Internationaal Centrum voor de Registratie van Wereldburgers opgericht, en een half jaar later rolden de eerste, symbolische Wereldburgerregistratiekaarten uit de drukpers. Wederom stroomden honderdduizenden aanvragen voor deze kaart uit tientallen verschillende landen binnen. Diverse steden zoals Chelmsford, Köningswinter en, niet te vergeten, Hiroshima, gingen over tot de zogenaamde `mondialisatie'. Nog steeds geeft het Centrum deze `paspoorten' uit.

Garry Davis zou een aantal jaren de drijvende kracht blijven, maar vond uiteindelijk de uitgifte van symbolische kaarten niet ver genoeg gaan. Hij ging over tot het produceren van `echte' paspoorten, die inderdaad van een aantal landen juridische erkenning verkregen.

Naast de stromingen die zich richtten op het beïnvloeden van parlementen en regeringen, onstonden ook groeperingen in, zowel als naast de nationale organisaties voor wereldfederalisme, die meer heil verwachtten van een activering van de volkeren zelf, en wel door middel van het stichten van een `republiek van wereldburgers', compleet met parlement en ministers. Deze republieken zouden door wereldburgers gekozen moeten worden, en jaarlijks zou een congres moeten worden georganiseerd. Veel substantieels is uit deze beweging echter niet voortgekomen, iets waar de optimistische woorden in het artikel `De eenheid van de wereld' in Wereldfederalisme van november 1963: `maar alle (bewegingen) monden uiteindelijk uit in de brede rivier van wereldfederalisme en wereldeenheid', weinig aan kunnen veranderen.

Ofschoon het uitbreken van de Koude Oorlog niet meteen effect op groei en bloei van de beweging had, betekende hij een geduchte streep door de optimistische rekening. Velen in het Westen zagen in het begin van de jaren vijftig wereldfederalisten op zijn gunstigst als fellowtravellors, en op zijn ongunstigst als spionnen van Moskou. Dit oordeel zal, na een pure evaluatie van het gedachtengoed van het wereldfederalisme, de wenkbrauwen al doen fronsen. Maar het wordt er alleen maar vreemder op indien wordt bedacht dat diezelfde wereldfederalisten in het toenmalig Oostblok als Westerse kosmopolieten te kijk werden gezet. Volgens de communistische regeringen was wereldfederalisme niets anders dan de in schaapskleren gehulde wolf genaamd Amerikaans imperialisme. Wereldfederalisme was niets anders dan een van de slinkse methoden waarmee de VS hoopten de wereldheerschappij te verkrijgen.

De door de Koude Oorlog veroorzaakte tegenwind, werd nog versterkt door het op zich door de meeste wereldfederalisten toegejuichte dekolonisatieproces, waardoor echter wel de wereld alleen maar uit meer, in plaats van uit minder staten ging bestaan. Duidelijk werd dat het optimisme over de betrekkelijke eenvoud waarmee op de puinhopen van Europa en Azië na 1945 een wereldfederatie gebouwd kon worden misplaatst was geweest. Het grote gebaar maakte plaats voor de kleine stap en de nadruk kwam te liggen op informatie en onderwijs teneinde de juiste weg naar een wereldfederatie te leggen en uit te leggen. Maar met kleine stapjes is een massale aanhang niet vast te houden en zeker niet als die stapjes genomen moeten worden tijdens guur weer in een wereld die het ideaal meer en meer vaarwel zegt. In 1994 telde de nu World Federalist Movement (WFM) geheten beweging, nog slechts 25.000 leden, verdeeld over 40 landen, en nog slechts zo'n 20 nationale organisaties. Ofschoon de beweging zal gedijen bij het optimisme over de kansen van de VN na 1989, toen de val van de muur deze internationale organisatie ontdeed van de jarenlang knellende en verlammende banden van de OostWest tegenstelling, is het nog maar de vraag of dit zal opwegen tegen het eveneens losbreken van jarenlang onderdrukte etnische, religieuze en politieke tegenstellingen.

Tot slot van dit openingshoofdstuk. Na een verdere opsomming van internationale initiatieven, congressen en activiteiten concludeerde(n) in 1965 de schrijver(s) van `Eenheid in de wereld', in nogal moeizaam maar gloedvol Nederlands, en nog steeds zwanger van hoopvolle toekomstverwachtingen:

Velen werken mee, op verschillend terrein, de wereld tot een georganiseerde eenheid te maken inplaats van de chaotische betrekkingen die er thans nog heersen tussen de staten en de volkeren en die een oorlog kunnen doen ontbranden. Er bestaat een grote menigvuldigheid van gezelschappen, unies, verenigingen, verbonden, liga's enz. op filantropische basis of op filosofische, religieuze, litteraire, wetenschappelijke, sociale, economische, pacifistische, of welke andere basis dan ook. Zij alle werken voor de vrede, voor een beter leven, voor een rechtvaardige verdeling van de schatten van de wereld, voor onderling begrip, voor de banden van broederschap. Ook individuen als Schweitzer en Abbé Pierre doen dat, zij werken allen voor de wereldeenheid. Op onze planeet, waar zowel feitelijk als in de geest, alles elkaar nadert tot een eenheid, is de noodzaak van een wereldregering, eens begonnen als een eenvoudig verlangen, daarna met vuur voorgesteld en verdedigd, een logisch begrip geworden, gesteund door concrete voorstellen van degelijke organisaties. De idee gaat voort, en het wereldfederalisme, ontstegen aan het gebied van de utopie, wordt thans erkend als een realistisch streven met het doel een wereldrechtsorde voor de wereld van morgen te organiseren.

De nadruk op het realisme van de idee van wereldfederalisme, zou een rode draad worden in de geschiedenis van in ieder geval de WFBN. Het is zelfs zo opvallend hoe vaak wereldfederalisten er de nadruk op leggen realistisch te zijn dat het verwondering gaat wekken. Natuurlijk, zij zijn vaak utopisch genoemd, maar wat nu utopisch is, kan morgen de normaalste zaak van de wereld zijn. Door zo vaak de nadruk op hun realisme te leggen, kunnen ze wel eens hun streven meer kwaad dan goed hebben gedaan. Bovendien waren er ook tegengeluiden, zelfs in die zo idealistische beginfase. Zo werd in 1949 in de Eerste Kamer uitgebreid over het wereldfederalisme gedebatteerd. Opmerkelijk is dat die beweging toen positief werd onderscheiden van `de zo bezadigde Europese Beweging'. Het ging, aldus de senatoren, niet aan wereldfederalisten neer te zetten als zweverige types, aangezien van een aantal van hun kopstukken bekend was dat `zij een krachtigen zin voor de praktijk' absoluut niet misten. Desondanks zouden velen de federalisten voor wereldvreemde dromers of erger, zoals gezien blijven uitmaken en desondanks zouden de wereldfederalisten telkenmale weer de verdedigende stellingen opzoeken.

Literatuur:

`De eenheid van de wereld', Wereldfederalisme, nov./dec/ 1963, 57; jan./febr. 1964, 47

Don Bierman, `Over de Wereldfederatie', Nieuwsbrief WFBN, april/mei 1989, 59, 5

Leon Wecke, `Noodzaak Wereldfederalisme NU?', Nieuwsbrief WFBN, febr. 1997, 67

Lawrence S. Wittner, One world or none. A history of the world nuclear disarmament movement trough 1953. The struggle against the bomb, volume one, Stanford 1993, 160163

Start. Werkgemeenschap van Jonge Wereldfederalisten, april 1964, 1012

J. van Nieuwenhuyze, De wereldfederalistische idee. Voorstelling en polemologische bespreking, Brussel 1976, 1723

Derek Heater, World Citizenship and Government, Ipswich 1996, 110, 122, 1569

R.P. Haegler, Histoire et idéologie du mondialisme, Zürich 1972, 159167

Handelingen van de StatenGeneraal, 402 verg. 1e kamer, +161949, 1000: vaststelling hfdst. III (Dep. van BuZa)

Jay Winter, Sites of memory, sites of mourning, Cambridge 1997 (2), 17

Garry Davis, My Country is the World. The adventures of a world citizen, Londen 1961