Alle mensenrechten zijn het verdedigen waard

Reactie op AIV-Advies 122 | 19 september 2022 | Michiel van de Kasteelen

De Adviesraad Internationale Vraagstukken bracht recent een advies uit over ‘Mensenrechten: kernbelang in een geopolitiek krachtenveld’. Terwijl ik nadacht over een reactie daarop, las ik in De Groene een artikel van Coen van de Ven over Stefan Zweig: een boekbespreking van zijn boek ‘De wereld van gisteren’. Daarin wordt het Wenen en (breder) het Europa van voor de Eerste en Tweede Wereldoorlog beschreven: De wereld van gisteren barst op die manier van de impliciete waarschuwingen. Maar terwijl in het rijk vol zekerheden een ‘verlicht liberalisme’ regeert, is het woord ‘veiligheid’ ‘allang als een schim uit ons vocabulaire weggestreept’. En verder: Het indrukwekkende aan Stefan Zweig is dat hij al die geneugten heel precies ziet wanneer dat hele raamwerk op omvallen staat en het niet nalaat het grote verlies daarvan onder woorden te brengen. ‘Nu het grote noodweer haar allang verwoest heeft, weten we eindelijk dat die wereld van zekerheid een luchtkasteel is geweest. Maar toch, mijn ouders hebben erin gewoond als in een huis van steen’. Vervolgens heb ik het boek zelf gekocht en in één adem uitgelezen. Het advies ‘Mensenrechten: kernbelang in een geopolitiek krachtenveld’ is een belangrijk stuk, al was het maar als een soort van reminder. Een niet al te lange analyse leidt tot tien aanbevelingen. De eerste daarvan is: Verdedig onverkort het behoud van rechtsstaat, democratie en mensenrechten. Simpel en helder. Laat de concepten van rechtsstaat, democratie en mensenrechten niet vallen in dat internationale krachtenveld of misschien wel ‘mijnenveld’. Het heeft een hoge mate van vanzelfsprekendheid: ja natuurlijk staan we daar pal voor… En tegelijkertijd heeft het bijna iets van een wanhoopskreet. Want waar de ontwikkeling van de mensenrechten na de Tweede Wereldoorlog een langzame, maar gestage weg omhoog leek, is dat internationale krachtenveld inmiddels fundamenteel veranderd en niet ten gunste van die mensenrechten. Die ‘weg omhoog’ resulteerde – na de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens van 1948 – in een veelheid aan verdragen, handvesten en verklaringen, breed of gericht op specifieke groepen, mondiaal of regionaal, en binnen landen in nieuwe grondwetten. En niet alleen werden rechten vastgelegd, maar er werden mechanismen aan gekoppeld, die de naleving ervan probeerden te garanderen: van een beperkte rapportageplicht tot aan een daadwerkelijke rechtsmacht van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Die ‘weg omhoog’ speelde zich af tegen de achtergrond van de Koude Oorlog en van de dekolonisatie, en won (door die beide) aan overtuigingskracht. Na de ‘Val van de Muur’ leek – in het kortstondige optimisme van de Jaren 90 – niets nog het voltooien van dat mensenrechtenbouwwerk in de weg te staan. Maar precies die periode markeerde het begin van een neerwaartse beweging. Het is dan verleidelijk om de oorzaken daarvan buiten onze ‘Westerse’ wereld te zoeken. Aan die verleiding geeft het Advies gelukkig niet toe. Zeker, er zijn verschillen in het denken over en de praktijk van mensenrechten tussen de verschillende wereldregio’s en landen. Deels komen die voort uit de verschillen in politieke, culturele en religieuze samenlevingsvormen, waarvan sommige expliciet (en steeds explicieter) afstand nemen van het ‘Westerse’ denken over de verhoudingen tussen overheid en burgers en tussen mensen onderling. En deels zijn het de feitelijke (o.a. economische) machtsverhoudingen in landen en regio’s, waardoor mensenrechten in het gedrang komen. Maar zinvoller is het om – zoals het Advies doet – te kijken naar de vraag hoe het eigen Westerse, specifiek Nederlandse, denken en handelen bijgedragen heeft en bijdraagt aan die neerwaartse beweging. En dan gaat het enerzijds om het internationale aspect: hoe draagt het Westen, specifiek Nederland, bij aan mensenrechtenschendingen in andere landen en regio’s door het samenwerken met of gedogen van bepaalde regimes of door het zelf (mede) verantwoordelijk zijn voor die schendingen. Dat aspect (de eeuwige strijd tussen koopman en dominee) is al vaker benoemd. Maar het gaat anderzijds ook om het interne aspect van mensenrechten in de eigen samenleving. En dat wordt in dit Advies ook benoemd, misschien nog wat voorzichtig, maar toch ook duidelijk. De gedachte dat het hier (in het Westen, specifiek in Nederland) over het geheel genomen prima gesteld is met de rechten van de mens (met een atypische uitzondering hier of daar), kan gevoeglijk worden verlaten. Je hoeft maar te kijken naar de opvang asielzoekers of de toeslagenaffaire, en je ziet hoe structureel ook hier mensenrechtenschendingen kunnen zijn. Ook hier hebben organisaties als de Nationale Ombudsman of het College voor de Rechten van de Mens handen vol met werk. En dan is Aanbeveling 3 van aanzienlijk groter belang dan Aanbeveling 9. Onder 9 staat de aanbeveling om de eigen tekortkomingen onder ogen te zien, niet te bagatelliseren en daadwerkelijk aan te pakken. Dat is mooi en gaat verder dan “ook bij ons gaat wel eens wat mis”… Maar Aanbeveling 3 is de echte grote winst van dit Advies: “Maak niet langer onderscheid tussen verschillende categorieën van rechten.” In het nog steeds gangbare Westerse (liberale of neo-liberale) denken over mensenrechten is dat onderscheid essentieel. De Burgerlijke en Politieke Rechten zijn expliciet geformuleerd en afdwingbaar. De overheid dient zich dan te onthouden van inbreuken op de verwoorde rechten en vrijheden. Maar de Economische, Sociale en Culturele Rechten zijn (in dat gangbare denken) niet veel meer dan – gechargeerd – een wenselijke situatie, waarvoor overheden ‘hun best moeten doen’. Het wordt tijd dat we de Economische, Sociale en Culturele rechten gaan zien als daadwerkelijke mensenrechten met een politieke betekenis. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 maakt ook geen onderscheid in soorten rechten. Dat onderscheid is een product van de Koude Oorlog en de daaraan ten grondslag liggende richtingenstrijd. En nee, het betekent niet dat het internationale mensenrechtenstelsel nu de details van (bijvoorbeeld) het Nederlandse huisvestingsbeleid gaat bepalen. Het betekent wel dat beleid, dat niet zorgt voor voldoende en adequate huisvesting voor iedereen, in strijd is met artikel 11 van de International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights. En dat we dat dus als schending van mensenrechten moeten beschouwen. “Het onderscheid is achterhaald door de rechtsontwikkeling”, zegt het Advies. In mijn optiek is het onderscheid altijd oneigenlijk geweest. Deze hernieuwde erkenning van de ondeelbaarheid van mensenrechten heeft drie consequenties. Ten eerste dat het intern-politieke debat over sociaaleconomische vraagstukken overal ter wereld, dus ook in de Westerse wereld, dus ook in Nederland, gevoerd moet worden vanuit een niet alleen morele, maar ook juridische verplichting. Ten tweede dat dat ook geldt voor het wat meer diffuse ‘recht op ontwikkeling’, waarbij het erom gaat de welvaart in de wereld zodanig te herverdelen, dat ook ontwikkelingslanden de sociaaleconomische rechten van hun bevolking kunnen realiseren. Maar ten derde biedt die erkenning ook de noodzakelijke brug in het eerdergenoemde debat over aard en essentie van mensenrechten tussen de verschillende politieke, culturele en religieuze denkrichtingen in deze wereld. Want het ongemak van land als China ten aanzien van Burgerlijke en Politieke rechten is het spiegelbeeld van het ongemak van de Verenigde Staten ten aanzien van de Economische, Sociale en Culturele rechten (om maar eens twee uitersten te noemen). Tenslotte wil ik een vraagteken plaatsen bij een element uit Aanbeveling 2: “De AIV stelt voor deze basisprincipes (universaliteit, gelijkheid/non-discriminatie en ondeelbaarheid) voor wat betreft concrete beleidsvorming verder uit te breiden met de menselijke waardigheid, vrijheid en het tegengaan van straffeloosheid.” Het woord ‘vrijheid’ in dit verband trok mijn aandacht; ik heb gezocht naar een uitwerking van dat begrip, maar heb die niet gevonden. In een recent vraaggesprek bij De Correspondent met Annelien de Dijn over haar boek ‘Vrijheid: een woelige geschiedenis’ wordt volkomen helder, hoe het begrip ‘vrijheid’ altijd een enorme en positieve aantrekkingskracht heeft gehad op iedereen, die ergens voor streed. Maar ook maakt zij duidelijk hoe het begrip ‘vrijheid’ in zijn ultieme, neoliberale betekenis (van vrijwaring voor ‘bemoeienis’ door overheden) ook een negatieve kracht kan worden. Het centraal stellen van ‘vrijheid’ als een van de basisprincipes van mensenrechtenbeleid zou alleen zinvol zijn geweest, als men zich rekenschap gegeven had van dat kerndebat over het vrijheidsbegrip. Een kerndebat dat eigenlijk ten grondslag ligt aan bovenstaand debat over het onderscheid tussen de verschillende groepen mensenrechten. ‘Mensenrechten: kernbelang in een geopolitiek krachtenveld’ is een belangrijk advies. Al was het maar omdat Stefan Zweig’s ‘De wereld van gisteren’ duidelijk maakt dat je nooit zeker weet of het bouwwerk, waarin je denkt te leven, bestand is tegen de ‘tand des tijds’.